lactatie
 
  Voor het gebruik van geneesmiddelen tijdens zwangerschap en lactatie wordt de Zweedse classificatie gehanteerd (zie tevens het Farmacotherapeutisch Kompas):

Lactatiecategorie I: Het geneesmiddel gaat niet over in de moedermelk.

Lactatiecategorie II: Het geneesmiddel gaat over in de moedermelk, doch indien therapeutische doseringen worden gebruikt is het niet waarschijnlijk dat er enig effect op de baby zal optreden.

Lactatiecategorie III: Het geneesmiddel gaat bij gebruik van therapeutische doseringen over in de moedermelk in hoeveelheden, waarbij een effect op de baby mogelijk is (c.q. niet kan worden uitgesloten).

Lactatiecategorie IV: Het is onbekend of het geneesmiddel overgaat in de moedermelk (IVa) of er zijn onvoldoende gegevens beschikbaar om een oordeel te geven (IVb).

  Bij het voorschrijven van geneesmiddelen tijdens de lactatieperiode wordt aanbevolen de volgende gedragsregels in acht te nemen:

- Schrijf alleen een geneesmiddel voor indien het strikt noodzakelijk is.

- Kies liefst een geneesmiddel uit categorie I of II.

- Categorie III vormt geen absolute contra-indicatie. Het nut voor de moeder dient te worden afgewogen tegen de nadelige effecten op de baby of het staken van de borstvoeding.

- Indien een geneesmiddel kortdurend moet worden toegediend, kan de borstvoeding tijdelijk worden gestaakt; afkolven van de moedermelk is dan noodzakelijk. De duur van het staken van de borstvoeding voor geneesmiddelen uit categorieën III en IV komt overeen met vier- à vijfmaal de halfwaardetijd van het middel bij de moeder.

Bron
  Farmacotherapeutisch Kompas 2006
 
 E-mail deze pagina naar een collega
 


© 2003- Duke University Health System
All Rights Reserved.